Van Maanen Hans van Maanen
klikklikklikklik

Help, mijn borsten zijn ongelijk!

Krantje

De Volkskrant, 25 maart 2006

Hoeveel vrouwen zouden deze week nog eens bezorgd naar hun borsten hebben gekeken? Is de ene borst niet groter dan de andere? Loop ik daardoor geen grotere kans op borstkanker? Moet ik niet snel naar de dokter?

Aanleiding zal dan geweest zijn de publicatie van een studie van Diane Scutt van de universiteit van Liverpool en collega’s in het blad Breast cancer research. Zij komen tot de conclusie dat ‘bij gezonde vrouwen die later borstkanker kregen, de borsten asymmetrischer zijn dan bij vrouwen die niet ziek werden. Deze factor zou moeten worden meegenomen in het risicoprofiel van een vrouw.’

Dat was natuurlijk spekje voor het journalistenbekje. Niet alleen de dagelijkse media, ook wetenschappelijke tijdschriften als Nature en Science gaven uitgebreid ruchtbaarheid aan de resultaten. Nagerekend hebben ze het kennelijk geen van alle.

Het achterliggende idee is, dat asymmetrie een teken van zwakte is. Evolutiepsychologen en sociobiologen zijn geobsedeerd door het idee dat symmetrische mensen mooier, sterker en beter zijn, en dat asymmetrie duidt op een ontwikkelingsstoornis — in het geval van borstgroei een ongelijke aanvoer van vrouwelijk hormoon.

En aangezien de ontwikkeling van borstkanker en hormonen iets met elkaar te maken hebben, bekeken de Engelse onderzoekers de mammografieën van vrouwen die ooit eens hadden meegedaan aan een screeningsonderzoek in Liverpool. Zij vergeleken de beelden van 252 vrouwen die later borstkanker hadden gekregen met evenzovele mammografieën van leeftijdgenoten wie dat lot bespaard was gebleven.

Het volume van de borsten werd berekend met de bekende formule uit de stereometrie: de inhoud van een kegel is de oppervlakte van het grondvlak maal een derde van de hoogte (de auteurs vergaten de factor 1/3 in de formule). De oppervlakte van het grondvlak is pi maal het kwadraat van de straal, dus een borst met een straal van 8 centimeter en een hoogte van 8 centimeter heeft een volume van 536 milliliter. Dat is een redelijke, gemiddelde borst.

Nu is er vrijwel geen vrouw van wie de borsten precies even groot zijn. De onderzoekers vonden bij vrouwen die geen borstkanker hadden gekregen een verschil tussen links en rechts van 52,99 milliliter. Bij vrouwen die wel borstkanker hadden gekregen, was het verschil inderdaad groter, 63,17 milliliter. Nog wat statistiek en wat bleek: ‘De relatieve kans op borstkanker nam met 50 procent toe voor elke 100 milliliter dat de borsten in volume verschillen.’

Bij vrouwen die geen borstkanker ontwikkelden, was het verschil zoals gezegd 52,99 milliliter. Dus als de linkerborst onze standaardborst is, is de straal van de rechter niet 8 centimeter, maar 8,39 centimeter. Een verschil van 3,9 millimeter geeft dus geen extra risico.

Bij vrouwen die wel borstkanker kregen, was het verschil tussen de borsten rond de 10,18 milliliter groter. Dan is de straal van de rechterborst niet 8,39 centimeter, maar 8,46 centimeter — dat is dus nog geen millimeter groter dan die van vrouwen die geen borstkanker kregen.

Het is volslagen ondenkbaar dat vrouwen en hun artsen dit met het blote oog zouden kunnen zien, en het is volslagen ondenkbaar dat dit ‘in het risicoprofiel’ zou moeten worden opgenomen. Bijna elke andere factor, zo blijkt ook uit de tabellen van de Engelse onderzoekers, is belangrijker. Borstkanker in de familie verdubbelt de kans op borstkanker. De tijdstippen van begin en eind van de menstruatie hebben meer invloed, en zelfs de lichaamslengte blijkt een significantere rol te spelen.

In feite is het al ondenkbaar dat de onderzoekers op de millimeter nauwkeurig de straal en de hoogte van een borst op een mammografie kunnen vaststellen. Helaas ontbreekt iedere beschrijving, laat staan verantwoording, voor de meetnauwkeurigheid. Hoe werden de straal en de hoogte bepaald? Wat was de betrouwbaarheid van de meting? Werd er slechts eenmaal gemeten, of werd het gemiddelde van tien metingen genomen?

Zijn opeenvolgende mammografieën van dezelfde vrouwen vergeleken om te zien hoe reproduceerbaar de metingen zijn? Bij mammografieën worden de borsten stevig geplet — drukt de ene laborant niet meer dan de andere? Is de ene borst niet minder samendrukbaar dan de andere, ook al zijn ze even groot?

Getallen zijn overal, maar ze betekenen niet allemaal evenveel. De onzekerheden in de schatting van de borstinhoud zijn zo groot, dat het onzinnig wordt om vervolgens op honderdsten van millimeters conclusies te trekken. Nattevingerwerk aan het ene uiteinde wordt nooit precisiewerk aan het andere.