Van Maanen Hans van Maanen
klikklikklikklik

Kleine sociologie van de doorbraak

De Volkskrant, 7 juli 2007

Wetenschappelijke doorbraken zijn altijd interessant. Biologische doorbraken vooral voor biologen, natuurkundige doorbraken vooral voor natuurkundigen, wiskundige doorbraken voor wiskundigen. Maar allemaal zijn ze interessant voor sociologen.

Neem bijvoorbeeld de grootste biologische doorbraak van de vorige eeuw, de ontrafeling van het menselijk genoom. Die doorbraak was zo groots, dat hij wereldkundig moest worden gemaakt door de twee meest vooraanstaande onderzoekers op dit terrein, Bill Clinton en Tony Blair. Weliswaar was de genenkaart nog maar in kladversie gereed en ontbraken er nog een paar honderd miljoen puzzelstukjes, de opwinding was er niet minder om. Biologen mopperden dat de aankondiging misschien wat voorbarig was, voor sociologen viel er genoeg te beleven.

We zagen uiteraard de borstklopperij, de hoogmoed en de zelfoverschatting die bij elke doorbraak horen. De sleutel tot het leven, zo leek het, was gevonden en het zou niet lang meer duren of alle ziekten en kwalen zouden dankzij het DNA uit de wereld worden geholpen.

Nog interessanter in sociologisch opzicht is wat de aankondiging van zo’n doorbraak aan reacties teweegbrengt. Alsof de wereld even door een geavanceerde PET-scanner wordt gehaald, lichten ineens de angsten en zorgen in de samenleving op.

Zo bleken, om bij het voorbeeld van het humanegenoomproject te blijven, opeens de verzekeringsmaatschappijen een zwartepiet in handen te hebben. Daarvan verwacht men kennelijk niets dan slechts: dankzij de genenkaart zullen zij weigeren mensen te verzekeren en ontstaat, zoals Clinton al direct waarschuwde, genetische discriminatie. Nu is voor discriminatie geen genenkaart nodig — men heeft het eeuwenlang uitstekend zonder gekund — bovendien zou je evengoed het omgekeerde kunnen denken. Wie zijn overlijdensdatum kent, hoeft zich niet meer tegen een onverwacht sterfgeval in te dekken. Misschien zijn het de verzekeraars die zich zorgen moeten maken om hun premie-inkomsten.

Overigens, anders dan velen toen vreesden, ziet het ernaar uit dat kennis van het genoom niet leidt tot discriminatie op grond van erfelijke kenmerken, maar juist op grond van leefstijl — die is namelijk je eigen schuld, aan je genen kun je niks doen. Niet erfelijk dikke mensen worden gediscrimineerd, maar mensen die hun overgewicht 'aan zichzelf te wijten hebben'. Wie een erfelijk hoog cholesterol heeft, krijgt zijn statines vergoed, wie te vet eet, draait er zelf voor op.

Een tweede boeman is en blijft natuurlijk de werkgever: die zou de genenkaart als troef krijgen om werknemers de toegang tot zijn bedrijf te ontzeggen. Ook hier geeft het DNA-project een fraai inzicht in de gevoelde machtsverhoudingen. Wie meent dat de werknemers het in de wereld voor het zeggen hebben, zou eerder voor werkgevers problemen verwachten omdat die, met de genenkaart in de hand, niet meer in een verffabriek willen werken.

Verder is de rol die de overheid wordt toegedicht het bestuderen waard. Wordt de overheid gezien als bondgenoot van verzekeraars, werkgevers en andere machthebbers, of als bondgenoot van het gewone volk, opkomend voor de kleine man en de zwakken beschermend? En wie denkt wat? Waar lichten welke plekken op de scan op?

En het allerduidelijkst zichtbaar wordt, omdat het immers over wetenschap gaat, de ideeën over de wetenschap zelf. Wetenschap, zo voelt het voor velen, is een bedreiging in handen van niets ontziende geleerden en op winst beluste industrieën. De onafhankelijkheid is verkwanseld, en wie er ook moge profiteren van de wetenschap, gewone mensen hebben niets in de melk te brokkelen. De opmars van de koploze kikkers, de bizarre klonen en de kunstmatige bacteriën gaat onstuitbaar voort. Waarbij bovendien de gelatenheid opvalt waarmee die constatering wordt gedaan — ingrijpen is onmogelijk en zinloos. Dat is ook wel eens anders geweest: in de jaren vijftig werd nog alle heil van de wetenschap verwacht, in de jaren zestig werd nog alle heil van actievoeren verwacht.

Overheerst op het ogenblik vooral het wantrouwen wat betreft de wetenschap? Zijn wetenschappers dan niet erg in het nadeel als ze, voordat ze kunnen uitleggen wat ze ontdekt hebben of willen onderzoeken, eerst nog al dat wantrouwen moeten overwinnen? Wat doen zij om hun aanzien te verbeteren?

Een wetenschappelijke doorbraak laat, juist doordat de gevolgen nog onoverzichtelijk en onvoorspelbaar zijn, mooi zien welke gevolgen mensen verwachten. Interessant — voor sociologen — is niet zozeer of de bezorgdheden terecht of niet zijn, interessant is dat ze bestaan, en wat ze betekenen. Bij elke grote wetenschappelijke doorbraak lichten ze helder op, en daarmee zouden verzekeraars, werkgevers en politici hun voordeel kunnen doen. En wetenschappers, natuurlijk.