Hans van Maanen

Buikhuisen mag nog steeds niet

Ho ho ho wacht nou eens even. Straks wordt die man nog heiligverklaard ook. ‘Onderzoek naar biologische oorzaken van criminaliteit mag weer’, ‘Onderzoek naar criminele aanleg uit ijskast gehaald,’ koppen de kranten dan. En steevast wordt er bij gezegd dat er sprake is van een ‘revival van Buikhuisens interesses’ en dat Buikhuisen ‘weer mag’. Buikhuisen mag nog steeds niet. Buikhuisen zal nooit mogen. Eigenlijk moet die naam helemaal nooit meer vallen.

De ‘zaak-Buikhuisen’ begon in 1978, toen de justitie-ambtenaar Wouter Buikhuisen tot hoogleraar criminologie in Leiden benoemd zou worden. Volgens velen, geleerden en minder geleerden, zat er niet alleen een luchtje aan de benoeming, maar ook aan Buikhuisen zelf. Buikhuisen was hoogleraar in Groningen geweest en adviseur van Van Agt, maar met de komst van een nieuwe minister wilde hij weg. Het reclasseringsmaandblad Kri wist in april 1978 echter te melden dat hij aan het hoogleraarschap enkele stevige voorwaarden had verbonden, waaronder een kwart miljoen gulden. Over zijn plannen was hij vaag, in Het Parool zei hij alleen dat hij ‘was vastgelopen in de maatschappelijke aanpak’ en meer wilde kijken naar ‘factoren die in het individu zitten’.


Er kwamen vragen in de Tweede Kamer, en de controverse werd een affaire. Met name columnist Piet Grijs wond zich in Vrij Nederland hevig op — volgens de overlevering heeft hij hoogstpersoonlijk Buikhuisens carrière gebroken en ervoor gezorgd dat de criminoloog ten slotte eieren voor zijn geld koos en zijn hoogleraarszetel ruilde voor de antiekwinkel van zijn vrouw.
Dat laatste klopt in ieder geval al niet. Pas in december 1988, tien jaar na het begin van ‘de rel’, verdween Buikhuisen definitief van het wetenschappelijk toneel. Hij was toen al lange tijd met ziekteverlof, en ging officieel weg ‘op doktersadvies’. Zelf zei hij ongeveer tien jaar nadien in het Algemeen Dagblad dat hij ‘besloot te stoppen juist op het moment dat ik greep op de dingen begon te krijgen. Even enthousiast als ik eraan begonnen ben, heb ik die periode in mijn leven afgesloten.’
Ten tijde van de affaire, in 1978 dus, verweerde Buikhuisen zich amper. Hij deed er voornamelijk het zwijgen toe, maar als hij wat zei dan was dat, aldus Piet Grijs, ‘vaak heel verstandig’. Het waren vooral zijn leerlingen J. J. M. van Dijk en J. Beijk die zich roerden en die de zaak alleen maar steeds erger voor Buikhuisen maakten.
Van Dijk schreef in de Haagse Post over de ideeën van Buikhuisen: ‘Mensen die uitzonderlijk zwak op elektrische prikkels van het autonome zenuwstelsel reageren, hebben wellicht, zo redeneert Buikhuisen, sterke prikkels nodig om een gevoel van verveling te doorbreken. Wanneer alternatieven ontbreken, kunnen deze prikkels in delinquent gedrag worden gezocht.’ Hij zag ook geen probleem bij het werven van proefpersonen onder gevangenen: ‘Het gaat immers om het toedienen van elektrische schokjes die geen enkel spoor nalaten.’ En elders lichtte hij toe: ‘Scholieren zullen ook onderzocht worden. Sinds kort hebben we de beschikking over een klein instrumentje, waarmee we kleine schokjes kunnen toedienen om de schrikreacties op de hand te meten.’
Mensen die zich tegen dit soort onderzoek verzetten, vond Van Dijk ‘inwoners van Nieuw-Staphorst’, met wie ‘even moeilijk te discussiëren valt als met de vroegere tegenstanders van de polioprik. Zij zijn niet bereid de voordelen en nadelen van een biologische ingreep tegen elkaar af te wegen.’
Van Dijk volgde Buikhuisen later op bij Justitie. In 1999 schreef hij in het Tijdschrift voor criminologie een wat warrige terugblik, waarin hij enerzijds Piet Grijs uitfoetert en Buikhuisen prijst, maar anderzijds beweert dat hij ook toen al niet overtuigd was van Buikhuisens theoretische diepgang en zelfs dat hij, ‘anders dan steeds is gesuggereerd, nooit bijzonder geïnteresseerd is geweest in Buikhuisens in mijn ogen reductionistische, psychologische criminologie’. Hij kwam slechts fel op voor de ‘academische vrijheid van een collega’.
Beijks wereldbeeld was nog eenvoudiger dan dat van Van Dijk. Hem leek het, in een stuk in het Amsterdamse universiteitsblad Folia civitatis, wel een goed idee om de misdaad te bestrijden door ‘mensen met zo’n laag activatieniveau’ te behandelen met een pilletje. ‘Ik denk bijvoorbeeld aan adrenalinepreparaten. Ik weet daar niet zo veel van, maar het is toch niet verboden in die richting te denken.’
Naarmate Buikhuisen langer stommetje bleef spelen, wond Piet Grijs zich meer op. Maar hij was niet de enige, en dat Piet Grijs in z’n eentje Buikhuisen bestookte, is zeker niet waar. Zo merkte Vrij Nederland-redacteur Rob Sijmons in het heetst van de strijd, in september 1978, op dat Buikhuisen zich in een stuk uit 1968 wel erg veel beriep op cijfers van de nazi-arts Franz Exner. Ook werd erop gewezen dat Buikhuisen zijn vakanties wat vaak doorbracht in toen als fascistisch geldende landen als Zuid-Afrika en Indonesië.
Maar uiteindelijk was het niet de aandacht van de pers die de hoogleraar het sterkst in het nauw dreef. De meest vernietigende kritiek kwam uit wetenschappelijke hoek, van rechtssocioloog Schuyt en van vrijwel alle criminologen van Nederland, onder wie kopstukken als Dessaur, Bianchi en Buikhuisens voorganger in Leiden, Nagel.
Schuyt schreef in het Nederlands juristenblad een doortimmerd betoog waarin hij geen spaan heel liet van Buikhuisens ideeën en vage plannen. In de sociologie, zei Schuyt, gaat het nu eenmaal anders dan in de exacte wetenschap. Een verband tussen een laag activatieniveau en misdadig gedrag is interessant, maar het zegt helemaal niets als je niet een verklarende theorie erachter hebt. Er is ook een verband tussen het aantal ooievaars in een streek en het aantal geboorten, maar dat betekent niet dat de ooievaar de kindertjes brengt. ‘Op dezelfde manier zouden fysiologische processen en gedrag wel eens allebei bepaald kunnen worden door een derde factor die we nog niet kennen. En die we ook niet zullen léren kennen, zolang er niet wordt nagedacht over de verklaring die er voor de gevonden ‘samenhang’ zou kunnen bestaan.’
Bovendien, zo zei Schuyt, wordt er wel erg makkelijk gedaan of er een een-op-een-relatie is tussen prikkel en mentaal proces. Geef je mensen zonder dat ze het weten adrenaline, dan worden ze vaak bang. Maar als je ze van tevoren vertelt dat ze adrenaline krijgen en dus wel bang zullen worden, dan worden ze niet bang. Er zijn trouwens ook mensen die vrolijk of agressief van adrenaline worden. En dan nog, niet alle angst of woede leidt altijd bij iedereen tot een bepaald gedrag. Er zitten zo veel stappen tussen fysiologie en gedrag — laat staan misdadig gedrag — dat sociobiologisch onderzoek geen enkele verklaring zal leveren. Dus hoe dacht Buikhuisen deze kwesties op te lossen?
Buikhuisen verweerde zich in een repliek in het blad eigenlijk vooral door te mopperen dat het er nog maar aan mankeerde dat hij van Schuyt eerst tentamen moest doen. Op de inhoudelijke kwesties ging hij niet in.
Dessaur vond: ‘Biologisch onderzoek naar de criminaliteit lijkt me een fictie. Het enige wat je eventueel te pakken zou kunnen krijgen zal de agressieve criminaliteit zijn.’
Bianchi vond: ‘Stel je nou voor dat iemand een verklaring voor zonde wil vinden. Je zult dan eerst het begrip zonde moeten definiëren. Als ze aan de theologische faculteit zouden zeggen, nou gaan we daar een biologisch onderzoek naar doen, dan zegt iedereen, die lui zijn gek.’
En Nagel zei aanvankelijk blij te zijn geweest met de benoeming van zijn opvolger, maar hij kreeg allengs meer twijfels over diens deskundigheid — vooral toen hij las wie Buikhuisen als medewerkers in zijn vakgroep wilde hebben: op het lijstje stond de naam van een criminoloog die toen al twee en een half jaar dood was. Ook voor het overige nam hij geen blad voor de mond en schaarde hij zich achter de kritiek van Schuyt. ‘Het is allemaal verderfelijke onzin.’
Eind 1978 ging de storm liggen — Buikhuisen werd benoemd — maar amper anderhalf jaar later, in mei 1980, stak de wind opnieuw op. Toen raakte, wederom via Kri, bekend dat Buikhuisen het plan had opgevat bij jongens in kindertehuizen onderzoek te doen naar afwijkingen in het zenuwstelsel. De Belangenvereniging voor Minderjarigen trok hard aan de bel — de afspraak was immers dat er geen kinderen en gedetineerden voor dit soort onderzoek zouden worden gebruikt. Piet Grijs vond het ‘schokkend’ dat Buikhuisen, volgens een ander plan, juist in Israel gedetineerden en patiënten met hersenletsel wilde onderzoeken, en hij riep in Vrij Nederland de ‘Tweede Buikhuisense Oorlog’ uit.
De strijd was grimmiger, maar korter. De sympathie leek inmiddels wat te zijn verschoven naar de kant van Buikhuisen, en de meeste collega-wetenschappers, onder wie ook Schuyt, vonden eigenlijk dat het onderzoek nu maar moest doorgaan. Misschien waren de maatschappelijke opvattingen in de twee jaar verschoven, misschien had iedereen zijn kruit verschoten, misschien had Buikhuisen zich beter voorbereid — de Tweede Buikhuisense Oorlog werd in ieder geval verloren door Piet Grijs.
De hoogleraar kwam in 1981 alweer even in het nieuws omdat hij volgens zijn vakgroep geen steek uitvoerde op de universiteit. Hij had, ondanks alle eisen die hij voor zijn benoeming had gesteld en ondanks het hem toegezegde geld, nog steeds geen afgerond onderzoeksvoorstel ingediend. Hij vond het leuker om, zonder toestemming van de vakgroep, naar Amerika en Nieuw-Zeeland te gaan. Hij onttrok zich volgens de vakgroep aan vergaderingen en regelde zaken buiten iedereen en alle reglementen om.
De psychologische faculteit nam toen als tijdelijke oplossing Buikhuisen van de juristen over. Die transfer gaf bij andere criminologen nog heel wat scheve gezichten, vooral door het geld dat ermee was gemoeid, maar de jaloezie werd binnenskamers gehouden. Zo kon De Tijd in een interview met Buikhuisen in 1986 melden: ‘Intussen heeft zich voor hem alles ten goede gekeerd: het verzet tegen dit soort onderzoek is weggeëbd, de universiteit heeft hem in de gelegenheid gesteld negen (part-time) medewerkers om zich heen te verzamelen, zijn instituut heeft van het biosociale onderzoek een soort Leidse school gemaakt.’
Toch moet alles niet zo rooskleurig zijn geweest als het toen werd afgeschilderd — kort erna ging Buikhuisen met ziekteverlof, en twee jaar later legde hij zijn functie neer. Hij werd opgevolgd door J. J. M. van Dijk.
Ongetwijfeld is de hele affaire Buikhuisen niet in de koude kleren gaan zitten; anderzijds is ook wel duidelijk dat het mislukken van zijn academische carrière niet volledig daaraan kan worden toegeschreven, laat staan aan Piet Grijs.
Buikhuisen had, zeker in 1978, in feite amper een idee wat hij zou gaan onderzoeken. Hij had eigenlijk geen benul — en gaf dat op sterke momenten ook toe. Ook jaren na zijn benoeming was hij nog niet in staat een helder overzicht van zijn plannen en hypotheses en onderzoeksdoelen te formuleren. Van ‘rehabilitatie’ kan dus helemaal geen sprake zijn: er valt niets te rehabiliteren. Als Buikhuisen vandaag zou komen met de plannen die hij toen leek te hebben, zou hij, als het goed is, weer net zo hard worden neergesabeld door collega-criminologen en ethische commissies.
De vraag is echter of het goed is. Er is namelijk nog iets anders. Het wordt de laatste tijd steeds voorgesteld alsof Buikhuisen eigenlijk altijd gelijk heeft gehad, zijn tijd ver vooruit was, en geheel onrechtmatig onder de zoden is geschoffeld.
Het wordt zelfs politiek correct om je te generen voor de standpunten die men in de jaren zeventig huldigde. Ethica Heleen Dupuis, nooit te beroerd mee te huilen met de wolven in het bos, noemde de hele affaire-Buikhuizen (zo schrijft zij de naam) in haar boekje Over moraal ‘werkelijk een schandvlek op het blazoen van de Nederlandse samenleving.’
Bioloog Frans de Waal haalt helemaal alles door elkaar in een interview in 2001 in Vrij Nederland: ‘Buikhuisen was zijn tijd tien jaar vooruit. Ik heb onlangs een criminologisch congres in Amerika bezocht, het ging alleen maar over genetische bepaaldheid. Ik vraag me af of Piet Grijs ooit zijn excuus heeft aangeboden.’
Zo wordt het zogenaamde onrecht dat Buikhuisen is aangedaan, gebruikt om kritiek op nieuw onderzoek in sociobiologische richting, dubieus of niet dubieus, bij voorbaat onschadelijk te maken. Wie nu een vraagteken bij zulk onderzoek zet, krijgt te horen dat hij in de jaren zeventig is blijven steken en de vorderingen van de neurowetenschappen of zelfs de genetica niet volgt. Over de merites van het onderzoeksvoorstel hoeft men niet eens te praten, want kijk maar wat er met Buikhuisen is gebeurd.
Dus doet niemand meer zijn mond open als de Amerikaanse onderzoeker Adrian Raine oppert dat je niet vroeg genoeg kunt beginnen met het opsporen van risicofactoren van crimineel gedrag. ‘Bij zesjarigen ben je eigenlijk al te laat. Bij tweejarigen ook trouwens.’ Ook is het volgens hem ‘inmiddels duidelijk dat er een erfelijke predispositie bestaat voor echtscheiding’, maar niemand vraagt hoe hij dat heeft vastgesteld, en niemand vraagt waarom je echtscheiding als afwijking van de norm zou berschouwen: juist mensen die levenslang bij hun eerste liefde blijven zijn immers uiterst zeldzaam.
Kinderpsychiater Theo Doreleijers mag zeggen dat we nu nog niet goed precies kunnen voorspellen welk kind later crimineel kan worden, ‘maar dat we over tien jaar wel veel beter in staan zullen zijn risicokinderen eruit te halen, die dan in de gaten kunnen worden gehouden’, zonder dat iemand een wenkbrauw optrekt.
Omdat we Buikhuisen zo onheus behandeld zouden hebben, durft niemand zich nog af te vragen of dat wel is wat wij willen: kinderen op grond van hun bloedbeeld al tot misdadigertjes-in-de-dop bestempelen nog voordat ze iets hebben gedaan. Wie bepaalt wat crimineel is? En waarom zou Doreleijers zich beperken tot neurotransmitters, testosteron, stress-hormonen en elektrische geleiding van de huid? Waarom niet ook meteen het gen voor huidskleur meegenomen? Dat lijkt toch nog steeds de beste voorspeller, zeker in de Verenigde Staten.
Niemand zegt meer wat, niemand vraagt meer wat, want iedereen denkt dat hij zich moet schamen over een affaire uit de jaren tachtig rond een gekke professor. En wie zich niet schaamt, heeft in ieder geval geen zin in een herhaling van zetten.
Maar de vragen die aan Buikhuisen konden worden gesteld, horen nog steeds bij elk onderzoek te worden gesteld. Is er een deugdelijke wetenschappelijke hypothese of proefopzet? Kan het ethisch door de beugel? Mag iedereen maar onderzoeken wat hij wil? Wie is verantwoordelijk voor het misbruik dat van de toekomstige resultaten kan worden gemaakt?
Buikhuisen vervuilt, zo veel jaren na dato, nog steeds de discussie over de wenselijkheid van biologisch onderzoek naar crimineel gedrag. Daarom moet die naam nooit meer vallen.

Verantwoording. Directe aanleiding voor deze tirade was een congres dat op 14 september 1999 aan de Vrije Universiteit werd gehouden over biologische achtergronden van crimineel gedrag. Dit hoofdstuk is een bewerking van stukken die ik schreef voor Propria cures van 25 september 1999 en Het Parool van 17 november 1999.

In november 2005 heb ik voor de Volkskrant, naar aanleiding van de opnieuw oplaaiende discussie, een wat handzamer stuk over de zaak geschreven.

Piet Grijs bundelde zijn stukken uit 1978 in Buikhuisen, dom èn slecht; een tiental daarvan verscheen later ook in boekvorm in ...honderd. Ik kom, uitgegeven in 1982 door Querido in Amsterdam.

Van Dijk verdedigde Buikhuisen onder meer in de Haagse post van 29 april 1978, het citaat van Beijk komt uit Folia civitatis van dezelfde dag. Buikhuisen gaf de terugblik op zijn carrière in het Algemeen dagblad van 24 mei 1997.

Nagel uitte zijn bedenkingen tegen Buikhuisen in een interview met Vrij Nederland (7 oktober 1978), Schuyt in het artikel ‘Veroordeeld tot criminaliteit’ in het Nederlands juristenblad van 27 mei 1978 (afl. 21, p. 389-399) en later nog eens in een interview met de Haagse post (2 september 1978), en Dessaurs uitspraken zijn terug te vinden in NRC Handelsblad van 27 april 1978. Buikhuisen en Van Dijk verdedigden zich in het Nederlands juristenblad op 24 juni (afl. 25, p. 477-481 en 481-485), waarna Schuyt en Buikhuisen elk nog een keer in het blad aan het woord kwamen maar niet echt nader tot elkaar.

De verwijzingen naar de criminoloog Exner meldde Rob Sijmons in Vrij Nederland van 30 september 1978. Pas tijdens de heropleving van de affaire, op 7 juni 1980, reageerde Buikhuisen hierop: hij verdedigde het boek van Exner nogmaals, omdat het een van de ‘leading post-war Continental textbooks’ wordt genoemd. Een fraai inzicht in die opvlamming, en de persoon van Buikhuisen, gaf Emma Brunt in de Haagse post van 5 juli 1980. Hieruit het volgende citaat: ‘Het ergste vond ik ... (stilte).’ Twee alinea’s later: ‘Misschien kan ik niet persoonlijk helpen, maar er zijn programma’s ontwikkeld in de Verenigde Staten waar iets mee te doen is ... (stilte)’.

Het zonnige interview met Buikhuisen stond op 30 mei 1986 in De Tijd.

Adrian Raine deed zijn uitspraken tegenover verslaggevers van NRC Handelsblad (18 september 1999) en Het Parool (15 september 1999), Doreleijers de zijne in de Volkskrant van 11 september 1999.

Het boekje van Heleen Dupuis, Over moraal, verscheen in 1998 bij Uitgeverij Nieuwezijds in Amsterdam. De passage over ‘Buikhuizen’, die het in haar samenvatting door alle aantijgingen ‘uiteindelijk voor gezien hield en antiquair werd’, staat op pagina 21–22.

Frans de Waal werd, samen met collega-bioloog en publicist Tijs Goldschmidt, aan het woord gelaten in Vrij Nederland van 16 juni 2001. Het is opmerkelijk dat de twee biologen hier hun steun aan Buikhuisen betuigen, omdat die in zijn opvattingen juist geheel uitging van het straf-en-beloning-denken waartegen zij zich zo verzetten.

Het artikel van Jan van Dijk waarin hij terugkijkt op de affaire-Buikhuisen — hij spreekt liever van de affaire-Grijs — verscheen onder de titel ‘De paradigmatische pretenties van Buikhuisen’ in het Tijdschrift voor criminologie jg. 41 (1999), p. 144-148.


Uit: Echte mannen willen niet naar Mars (Amsterdam, Atlas/Contact: 2002, p. 45–52).